Bewijslast bij navordering

1 september 2011

In het kader van internationale gegevensuitwisseling heeft de Nederlandse Belastingdienst van de Belgische Belastingdienst enkele jaren geleden een aantal microfiches ontvangen met gegevens van Nederlandse rekeninghouders bij een Luxemburgse bank. De Belastingdienst startte naar aanleiding hiervan een grootschalig onderzoek en legde aan betrokkenen navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting op. In een van deze zogenaamde KB-Luxprocedures ging het om de verdeling van de bewijslast. Er stond vast dat de belanghebbende de houder was van een aantal rekeningen bij deze Luxemburgse bank. In het algemeen is het zo dat de houder van een bankrekening ook de gerechtigde is tot het tegoed op die rekening en dus de genieter is van de daaruit genoten inkomsten. Voor zover de belanghebbende bestreed dat hij gerechtigd was tot het tegoed en de inkomsten, rustte op hem de verplichting om aan de hand van feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders was.

Hof Amsterdam was van oordeel dat de belanghebbende niet in die bewijslast was geslaagd. Er was wel een schriftelijke verklaring van een derde, maar die werd niet ondersteund door aanvullend bewijsmateriaal, zoals correspondentie over het gestelde beheer van vermogen van deze derde.

 

De inspecteur beriep zich op omkering van de bewijslast ten aanzien van het houderschap van de rekening op andere tijdstippen dan in de microfiches opgenomen, omdat de belanghebbende niet aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan. Het hof stelde vast dat er vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen niet aan de belanghebbende was gevraagd om gegevens te verstrekken over de door hem gehouden rekeningen bij de KB-Luxbank. De belanghebbende had zijn wettelijke inlichtingenverplichting dus niet verzaakt, zodat omkering van de bewijslast niet aan de orde was. De inspecteur moest aannemelijk maken dat de belanghebbende in de periode van de navorderingsaanslagen houder was van de rekeningen of op andere wijze een aanzienlijk vermogen buiten het zicht van de Belastingdienst had gehouden. Gelet op het saldo van de rekeningen op 31 januari 1994 van meer dan ƒ 500.000, vond het hof aannemelijk dat de belanghebbende ook in de periode voor en na die datum over bankrekeningen in het buitenland beschikte. Het hof accepteerde de stelling van de inspecteur dat een vermogen van meer dan ƒ 500.000 in de regel zal zijn opgebouwd in een periode van meer dan 4 jaar en bij voorzichtige belegging na 6 jaar nog een substantiële omvang heeft. Het hof vond voldoende aannemelijk gemaakt dat de belanghebbende in alle in het geschil betrokken jaren over tegoeden beschikte en daaruit inkomsten had genoten die de voor die jaren geldende vrijstellingen voor de inkomsten- en vermogensbelasting overtroffen.

 

De aangiftegegevens over diverse jaren bevatten geen informatie over de KB-Luxrekeningen. Het hof vond aannemelijk dat dit ook het geval was in de aangiften voor de jaren waarvan aangiftegegevens niet bewaard zijn gebleven. Gezien de hoogte van de saldi op de microfiches betekende dit, dat de belanghebbende zowel absoluut als relatief aanzienlijke bedragen buiten de belastingheffing heeft gehouden. Voor wat betreft de navorderingsaanslagen had dit tot gevolg dat de bewijslast werd omgekeerd en verzwaard. De belanghebbende moest aantonen dat en in welke mate de navorderingsaanslagen na de uitspraken op bezwaar onjuist waren.

Door zijn weigering inzage te geven in de gegevens van zijn rekeningen slaagde de belanghebbende niet in het door hem te leveren bewijs.

Terug naar overzicht

Onze gegevens

Rijksweg 297-RD
1991AA Velserbroek
T 023 538 29 11
E aaa1@quicknet.nl
KvK 34063598

Adviesbureau voor Administratieve Automatisering

Administratiekantoor Van den Belt is voor u het juiste adres voor betaalbaar en deskundig advies. Met een team van vijf personen zijn wij een kantoor dat met u mee denkt in het belang van uw bedrijf.