Beperking renteaftrek ook na omzetting schuld in lijfrenteverplichting

29 mei 2009

Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 1980 moet de verkoop aandelen in een BV tegen een hogere prijs dan de nominale waarde aan een andere BV met dezelfde persoon als enige aandeelhouder voor de inkomstenbelasting worden behandeld als een dividenduitkering.

In een aan Hof Den Bosch voorgelegde casus verkocht een aandeelhouder zijn ene BV aan een andere BV van hemzelf. De kopende BV bleef de koopsom voor de aandelen schuldig aan de aandeelhouder. De inspecteur merkte de verkoop onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad uit 1980 aan als een dividenduitkering.

De Wet op de Vennootschapsbelasting kent een antimisbruikbepaling die inhoudt dat de rente die een BV over een schuldig gebleven dividend moet betalen niet aftrekbaar is. De inspecteur paste deze antimisbruikbepaling toe op de schuld van de BV aan de aandeelhouder. Ook toen de schuld werd omgezet in een lijfrenteverplichting bleef volgens de inspecteur de antimisbruikbepaling van toepassing en weigerde hij de rente in aftrek toe te laten.

Volgens het Hof maakte het niet uit of de BV rente betaalde over een geldlening of rente toevoegde aan een lijfrenteverplichting. In beide gevallen was de rente niet aftrekbaar. De BV ging in cassatie tegen de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad deelde de opvatting van het Hof niet. Dat de verkoop van aandelen in bepaalde gevallen als uitkering van dividend wordt aangemerkt, wil niet zeggen dat er ook voor de toepassing van genoemde antimisbruikbepaling sprake is van een winstuitdeling.

Volgens de Hoge Raad kan de oprenting van de lijfrente niet ten laste van de winst van de BV worden gebracht als de doorslaggevende reden voor de omzetting van de geldlening in een lijfrenteverplichting het omzeilen van de antimisbruikbepaling was. De inspecteur moest in het vervolg van de procedure bewijzen dat het hiervoor genoemde motief bestond. Hof Arnhem stelde vast dat de verkoop van de aandelen niet was gedaan in het belang van de onderneming, maar alleen om de belangen van de aandeelhouder te dienen. Het Hof vond daarom aannemelijk dat ook de omzetting van de schuld in een lijfrenteverplichting niet op zakelijke gronden berustte. Daaruit trok het Hof de conclusie dat het verijdelen van de heffing van vennootschapsbelasting doorslaggevend was voor de omzetting. Om de oprenting in dat geval in aftrek te kunnen brengen moest de BV aantonen dat over de uitkeringen van de lijfrente een redelijke heffing had plaatsgevonden.

De lijfrente had de vorm van een saldolijfrente. Dat wil zeggen dat het rentebestanddeel in de uitkeringen pas wordt belast als het totaal van de uitkeringen de betaalde koopsom overtreft. Zou de aandeelhouder in Nederland hebben gewoond, dan waren de uitkeringen in de jaren 1999 tot en met 2001 niet belast. Het Hof stelde vast dat er geen sprake was van een compenserende belastingheffing. Er was namelijk niet aannemelijk gemaakt, dat de in de jaren 1999 tot en met 2001 ontvangen lijfrentetermijnen in Zwitserland aan belastingheffing onderworpen waren of dat daarop een vorm van saldomethode van toepassing was.

Terug naar overzicht

Onze gegevens

Rijksweg 297-RD
1991AA Velserbroek
T 023 538 29 11
E aaa1@quicknet.nl
KvK 34063598

Adviesbureau voor Administratieve Automatisering

Administratiekantoor Van den Belt is voor u het juiste adres voor betaalbaar en deskundig advies. Met een team van vijf personen zijn wij een kantoor dat met u mee denkt in het belang van uw bedrijf.